neerstorten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • neer·stor·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
neerstorten
stortte neer
neergestort
zwak -t volledig

Werkwoord

neerstorten

  1. ergatief het vliegvermogen verliezen en onzacht op de aarde terugvallen
    • Het vliegtuig verloor alle brandstof en stortte neer. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.