verliefdheid

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·liefd·heid
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord verliefdheid verliefdheden
verkleinwoord verliefdheidje verliefdheidjes

Zelfstandig naamwoord

verliefdheid v

  1. amoureuze gerichtheid op een bepaalde persoon
    • Zijn verliefdheid deed hem zijn redelijkheid verliezen. 
    • Ik dacht na. Ik stelde me voor dat wat ik voor mijn Bechstein-piano voelde het dichtst in de buurt van verliefd zijn kwam. 'Als je eenmaal aan verliefdheid begint, kom je er niet meer van af. En je moet er dagelijks mee bezig zijn. Ik moet ook dagelijks piano studeren. Besef je wel...' [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sandes, David De wondermethode 2006 ISBN 9044509543 pagina 34