verongelukken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·on·ge·luk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verongelukken
verongelukte
verongelukt
zwak -t volledig

Werkwoord

verongelukken

  1. ergatief bij (tot personen) een ongeluk om het leven komen
    • Hij is op weg in de Alpen verongelukt. 
  2. (figuurlijk) mislukken, niet goed terechtkomen
    «Je kan wel zeggen dat hij verongelukt is.»
    Hij heeft niets bereikt van wat hij beoogde.
  3. (tot vervoermiddelen) onbruikbaar worden door ongeluk
    • Bij een kettingbotsing zijn gisteravond tien auto’s verongelukt. 
Synoniemen
Opmerkingen
  • [1] een ongeluk hebben.
een persoon is aangereden, maar leeft nog.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.