coach

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • coach
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Engelse woord coach.
enkelvoud meervoud
naamwoord coach coaches
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

coach m

  1. (beroep) iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren
    Met Rinus Michels als coach won Nederland in 1988 het EK voetbal.
  2. touringcar
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
coachen

coach

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coachen
    Ik coach.
  2. gebiedende wijs van coachen
    Coach!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van coachen
    Coach je?

Meer informatie