trainer-coach

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trai·ner-coach
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trainer-coach trainer-coaches
trainers-coaches
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

trainer-coach m

  1. (sport) trainer die zijn ploeg ook coacht
    • op maandagavond was meester Valentijn trainer-coach van het volleybalteam 

Gangbaarheid