trainen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trai·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trainen
trainde
getraind
zwak -d volledig

Werkwoord

trainen

  1. (inergatief) het doen van lichamelijke oefeningen
    Er werd hard getraind voor het kampioenschap.
  2. (overgankelijk) door middel van oefeningen een bepaalde vaardigheid opbouwen
    Dit is iets dat wel degelijk getraind kan worden.
Vertalingen