trainer

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trai·ner
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trainer trainers
verkleinwoord trainertje trainertjes

Zelfstandig naamwoord

trainer m

  1. (sport) iemand die beroepsmatig mensen of dieren begeleidt teneinde hun prestaties te verbeteren
    Al na tien wedstrijden werd de trainer ontslagen.
  2. apparaat of systeem waarmee men kan trainen
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie