koets

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koets
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koets koetsen
verkleinwoord koetsje koetsjes

Zelfstandig naamwoord

koets v/m

  1. (verkeer) een vierwielig rijtuig, meestal gesloten en met comfortabele vering uitgerust
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
koetsen

koets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koetsen
    Ik koets.
  2. gebiedende wijs van koetsen
    Koets!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koetsen
    Koets je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl