koets

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koets
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord koets koetsen
verkleinwoord koetsje koetsjes

Zelfstandig naamwoord

koets v/m

  1. (verkeer) een vierwielig rijtuig, vaak gesloten en met comfortabele vering uitgerust
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
koetsen

koets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koetsen
    • Ik koets. 
  2. gebiedende wijs van koetsen
    • Koets! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van koetsen
    • Koets je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl