repetitor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • re·pe·ti·tor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘die met studenten de leerstof doorneemt’ voor het eerst aangetroffen in 1786 [1]
  • Afkomstig van het Latijnse re + petor (ik herhaal).
enkelvoud meervoud
naamwoord repetitor repetitoren
repetitors
verkleinwoord repetitortje repetitortjes

Zelfstandig naamwoord

repetitor m

  1. (muziek) (beroep) correpetitor, muzikant die koor, zanger of andere muzikant begeleidt bij het instuderen
  2. (onderwijs) (beroep) leraar die studenten op een tentamen voorbereidt
    • De repetitor wilde dat we onze stukken beter oefenden. 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen