coachen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • coa·chen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het Engelse coach.
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
coachen
coachte
gecoacht
zwak -t volledig

Werkwoord

coachen

  1. (overgankelijk) (sport) instructies en leiding geven aan een sportteam of sporter
    Deze finale coacht hij zijn laatste wedstrijd.
  2. begeleiden, iemand helpen om betere prestaties te leveren
    „Maar echt ideaal”, zegt Kuyken, „zou het zijn om een gesubsidieerde structuur op te bouwen waarbij regionale centra in nauwe samenwerking met lokale docenten talenten coachen, om ze daarna naar één landelijk centrum te sturen. Vergelijk het met sportcentrum Papendal.”[1]
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Floris Don 17 november 2015 NRC