budget

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bud·get
enkelvoud meervoud
naamwoord budget budgets, budgetten
verkleinwoord budgetje budgetjes

Zelfstandig naamwoord

budget o

  1. raming van inkomsten en uitgaven
  2. hoeveelheid (geld)middelen die je voor iets kunt of wilt gebruiken
    Het arme gezin moest leven met een krap budget.
  3. hoeveelheid (geld)middelen die je voor iets hebt gebruikt
    Hoeveel is het budget van deze filmproductie.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie