begroten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gro·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
begroten
begrootte
begroot
zwak -t volledig

Werkwoord

begroten

  1. de grootte (bedrag, aantal) van iets met een calculatie inschatten
    De baten zijn vooraf moeilijk te begroten.
    De afzet voor het komende jaar is begroot op 120.000 stuks.