braam

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Rijpende bramen aan een braamstruik
Uitspraak
Woordafbreking
  • braam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord braam bramen
verkleinwoord braampje braampjes

Zelfstandig naamwoord

braam m

  1. (plantkunde) Rubus op Wikispecies, braamstruik
  2. (fruit) Rubus, vrucht van de braamstruik die zwart van kleur is
    • Bramen zijn zwart van kleur, braambozen zijn zoeter en roder. 
  3. beschadiging op een (metaal)oppervlak waardoor het minder glad is
    • Hij heeft de wedstrijd verloren omdat er een braam op zijn schaats zat. 
  4. (vissen) brasem
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen