brasem

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bra·sem
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1101 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord brasem brasems
verkleinwoord brasempje brasempjes

Zelfstandig naamwoord

brasem m

  1. (vissen) Abramis brama, een karperachtige vis
Verwante begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
73 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen