blazen
Uiterlijk
- bla·zen
- In de betekenis van ‘met kracht uitademen’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
- [A]: van Middelnederlands blasen [2][3]
- [B]: terug ontleend van Engels blaze ww "wiet roken"
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| blazen |
blies |
geblazen |
| klasse 7 | volledig | |
[A] blazen
- inergatief een luchtstroom veroorzaken
- Blaas even, dan koelt het wel af.
- In het zakje blazen.
- Het kind moet hard blazen om de kaarsjes uit te laten gaan.
- ▸ Het hele jaar door keurig onderhouden lanen en schone trottoirs, en Mexicaanse of Puertoricaanse tuinlieden die uit het niets opdoken om het loof van onze opritten te blazen terwijl ze liedjes floten die wij nooit zouden leren omdat we daar de tijd niet voor namen.[4]
- ▸ Ik had nog wel uren zo door kunnen lopen maar langzaam stak er een sterke tegenwind op die stof in mijn ogen blies.[5]
- overgankelijk met een luchtstroom iets vervaardigen
- Dit glas wordt geblazen, niet gewalst.
- Bellen blazen.
- overgankelijk een blaasinstrument bespelen
- Hij blies een vrolijk deuntje.
- door een luchtstroom verplaatst worden
- ▸ Negen kinderen in het West-Duitse Gondershausen zijn gewond geraakt toen zij vielen uit een springkasteel dat de lucht in werd geblazen. Vijf van hen zijn er ernstig aan toe, melden Duitse media.[6]
- (dierkunde) (v.e. kat) een sissend geluid maken om angst of boosheid uit te drukken
- De kat blies naar hem.
- Hoog van de toren blazen
Eisen stellen omdat je jezelf wel heel erg belangrijk vindt
- Beter hard geblazen dan de mond gebrand.
Het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
- De aftocht blazen
Verliezen en weggaan
- De kraaienmars blazen
Doodgaan
- Flink in de bus blazen
Voor een bepaald doel veel geld uitgeven of beschikbaar stellen
- Het is [xxx] geblazen
Dat ([xxx]) moet er nu gebeuren
- Geen veer van de mond kunnen blazen
Heel zwak en/of heel arm zijn
- Van toeten noch blazen weten
Ergens geen verstand van hebben
1. een luchtstroom veroorzaken
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| blazen |
blazede |
geblazed |
| zwak -d | volledig | |
[B] blazen
- (jongerentaal) roken van een sigaret of joint
- Hij wilde eerst blazen voor hij naar binnen ging
de blazen mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord blaas
- Het woord blazen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "blazen" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[7] |
- ↑ "blazen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ blazen op website: Etymologiebank.nl
- ↑ Johan Harstad“Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
- ↑ Tim Voors“Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers

- ↑
Weblink bron “Vijf kinderen in Duitsland zwaargewond doordat springkussen de lucht in vliegt” (03 juli 2022), NU.nl - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Sterk werkwoord klasse 7 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Inergatief werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Dierkunde in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Jongerentaal in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %