blazen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bla·zen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
blazen
blies
geblazen
klasse 7 volledig

Werkwoord

blazen

  1. inergatief een luchtstroom veroorzaken
    Blaas even, dan koelt het wel af.
    In het zakje blazen.
    Het kind moet hard blazen om de kaarsjes uit te laten gaan.
  2. overgankelijk met een luchtstroom iets vervaardigen
    Dit glas wordt geblazen, niet gewalst.
    Bellen blazen.
  3. overgankelijk een blaasinstrument bespelen
    Hij blies een vrolijk deuntje.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • hoog van de toren blazen
eisen stellen omdat je jezelf wel heel erg belangrijk vindt
  • Beter hard geblazen dan de mond gebrand.
het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
  • De aftocht blazen
verliezen en weggaan
  • De kraaienmars blazen
Dood gaan
  • Flink in de bus blazen
  • Geen veer van de mond kunnen blazen
heel zwak zijn ofwel: heel arm ?zijn
  • Van toeten noch blazen weten
van iets geen verstand hebben
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

blazen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord blaas

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.