blow

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • blow
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord blow blows
verkleinwoord blowtje blowtjes

Zelfstandig naamwoord

blow m

  1. trekje aan een joint
  2. een joint
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
blowen

blow

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blowen
    Ik blow.
  2. gebiedende wijs van blowen
    Blow!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blowen
    Blow je?
Gangbaarheid
88 % van de Nederlanders
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
blow blows

Zelfstandig naamwoord

blow

  1. slag, klap
vervoeging
onbepaalde wijs to blow
he/she/it blows
verleden tijd blew
voltooid
deelwoord
blown
onvoltooid
deelwoord
blowing
gebiedende wijs blow

Werkwoord

blow

  1. blazen
  2. ontploffen
  3. pijpen
Afgeleide begrippen