soplar
Uiterlijk
- so·plar
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| soplar |
soplaba |
soplado |
| volledig | ||
soplar
- onovergankelijk blazen, hijgen , puffen
- aangeven, aanklagen
- zuipen, pimpelen, hijsen
- vreten, schransen
- neuken
- overgankelijk blazen, wegblazen, opblazen, aanblazen
- influisteren, voorzeggen
- inspireren, ingeven
- soplar in: Diccionario de la lengua española, 23e druk, op website: Real academia española