geblaas

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·blaas
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord geblaas geblazen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

geblaas o

  1. het blazen op een muziekinstrument
    • Menigeen ergerde zich aan het geblaas op de vuvuzela's. 
  2. het bluffen, opscheppen
    • Het geblaas en gepoch was weer eens niet van de lucht. 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.