balkon

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
balkon

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bal·kon
enkelvoud meervoud
naamwoord balkon balkons
verkleinwoord balkonnetje balkonnetjes

Zelfstandig naamwoord

balkon o

  1. een bouwkundig onderdeel
    Het balkon bij een paleis is vooral van belang voor de balkonscène.
  2. een bepaalde plaats in tram of trein
    Helemaal achterin de tramwagon was vroeger een opstapje dat het balkon heette.
  3. een rang in een theater of bioscoop
    Het balkon is boven de grote zaal gelegen en heeft zo een vrij uitzicht op het toneel, maar is wel verder van het toneel af gelegen.
Vertalingen

Meer informatie


Tsjechisch

Woordafbreking
  • bal·kon

Zelfstandig naamwoord

balkon m onbezield

  1. (bouwkunde) balkon
Verbuiging
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Turks

Woordafbreking
  • bal·kon
enkelvoud meervoud
nominatief   balkon     balkonlar  
genitief   balkonun     balkonların  
datief   balkona     balkonlara  
accusatief   balkonu     balkonları  
locatief   balkonda     balkonlarda  
ablatief   balkondan     balkonlardan  

Zelfstandig naamwoord

balkon

  1. (bouwkunde) balkon (aan een gebouw)
  2. (bouwkunde) balkon (in een theater of bioscooop)