Naar inhoud springen

theater

Uit WikiWoordenboek
  • the·a·ter
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘schouwburg’ voor het eerst aangetroffen in 1566 [1]
  • Komt van het Griekse theatron (theater), dat weer een samenstelling is van theastai (kijken) en -tron (plaatsaanduiding).
enkelvoud meervoud
naamwoord theater theaters
verkleinwoord theatertje theatertjes

hettheatero

  1. (toneel) een uitgaansgelegenheid waar theatervoorstellingen gegeven worden
    • Wij gaan graag samen naar het theater. 
     We deden ook een spelletje, mama en ik, een terugkerend spelletje dat ze De kunst om geen sinaasappel te gooien noemde en dat we elke keer speelden als we naar het theater gingen.[2]
     ROOS Schlikker is van vele markten thuis: ze is columnist voor Het Parool, Libelle en Psychologie Magazine, schrijft scenario's voor theater en tv, schuift geregeld aan bij talkshows en maakt samen met Malou Holshuijsen de succesvolle podcast Dit komt nooit meer goed.[3]
  2. (psychologie) overdreven en onechte emotionele uitingen
    • Toen ze het hoorde had mevrouw Maillard luide kreten geslaakt, maar het was zo'n extraverte vrouw dat bij haar onmogelijk uit te maken viel wat angst was en wat theater. [4] 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[5]
  1. "theater" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Johan Harstad
    “Max, Mischa & het Tet-offensief” (2017), Podium (uitgeverij), ISBN 9789057598500
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Lemaitre, Pierre
    "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 17
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be