appareil
Uiterlijk
- ap·pa·reil
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | appareil | |
| verkleinwoord |
het appareil o
- (kookkunst) mengsel van verschillende ingrediënten
- Het woord 'appareil' staat niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie.
- Naamwoord van handeling van appareiller; geattesteerd sinds de 12de eeuw als Oudfrans apareiz [1]
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| appareil | l'appareil | appareils | les appareils |
appareil m
- (techniek) apparaat [1]; toestel [1]
- (luchtvaart) toestel [2]; vliegtuig
- (telecommunicatie) (techniek) toestel [3]; telefoontoestel
- «Qui est à l'appareil?»
- Wie is er aan de telefoon? Wie heb ik aan de lijn?
- «Qui est à l'appareil?»
- (organisatiekunde) (beroep) apparaat [2]
- (kookkunst) appareil
- ↑ appareil (Etymologie) in: Le Trésor de la Langue Française informatisé (1971-1994)
op de website cnrtl.fr
.
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Kookkunst in het Nederlands
- Niet in Woordenlijst Nederlandse Taal
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 8
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Techniek in het Frans
- Luchtvaart in het Frans
- Telecommunicatie in het Frans
- Organisatiekunde in het Frans
- Beroep in het Frans
- Kookkunst in het Frans