Naar inhoud springen

appareil

Uit WikiWoordenboek
  • ap·pa·reil
enkelvoud meervoud
naamwoord appareil
verkleinwoord

hetappareilo

  1. (kookkunst) mengsel van verschillende ingrediënten


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  appareil     l'appareil     appareils     les appareils  

appareil m

  1. (techniek) apparaat [1]; toestel [1]
  2. (luchtvaart) toestel [2]; vliegtuig
  3. (telecommunicatie) (techniek) toestel [3]; telefoontoestel
    «Qui est à l'appareil?»
    Wie is er aan de telefoon? Wie heb ik aan de lijn?
  4. (organisatiekunde) (beroep) apparaat [2]
  5. (kookkunst) appareil