Naar inhoud springen

apparatuur

Uit WikiWoordenboek
  • ap·pa·ra·tuur
  • van Duits Apparatur, in de betekenis van ‘samenstel van apparaten’ voor het eerst aangetroffen in 1933 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord apparatuur -
verkleinwoord

deapparatuurv

  1. geheel aan toestellen en toebehoren dat men voor een bepaalde taak benodigt
     Voor de algoritmes is hij een doorsneezestiger met een liefde voor exotische vakantieoorden en vernuftige, niet al te dure huishoudelijke apparatuur.[3]
    • Hoewel hij nooit kookte had hij toch een enorme hoeveelheid keukenapparatuur in zijn keuken staan. 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[4]