uitstellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·stel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitstellen
stelde uit
uitgesteld
zwak -d volledig

Werkwoord

uitstellen

  1. overgankelijk naar een later tijdstip verschuiven
    • De vergadering werd wegens de sneeuwstorm enige dagen uitgesteld. 
Typische woordcombinaties
  • iets met een jaar uitstellen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be