zit

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit
enkelvoud meervoud
naamwoord zit -
verkleinwoord zitje zitjes

Zelfstandig naamwoord

zit m [1]

  1. de daad van het (langdurig) zitten
    • Zo'n vlucht naar de andere kant van de oceaan is een hele zit. 
  2. plaats waar je kunt zitten
    • Deze hotelkamer had een eenvoudig zitje. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Werkwoord

vervoeging van
zitten

zit

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van zitten
  2. gebiedende wijs van zitten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Engels

enkelvoud meervoud
zit zits

Zelfstandig naamwoord

zit

  1. pukkel, acne


Turks

Bijvoeglijk naamwoord

zit

  1. tegengesteld, tegenovergesteld, tegenstrijdig.