Naar inhoud springen

zitje

Uit WikiWoordenboek
  • zit·je
  • afgeleid van  zit zn  met het achtervoegsel -je
enkelvoud meervoud
naamwoord zit -
verkleinwoord zitje zitjes

hetzitjeo

  1. verkleinwoord enkelvoud van het zelfstandig naamwoord zit
  2. alleen verkleinwoord tafel met enkele stoelen als zitgelegenheid in op plaatsen als een kantoor, wachtkamer, tuin of terras
    • Laten we even gaan zitten op het zitje bij de patatkraam. 
  3. (meubel) kleine, vaak afgeschermde zitplaats voor een klein kind
    • Haal jij even het zitje uit de andere kamer? 
  4. (transport) voor een kind veilige zitplaats in een auto of op een fiets
    • Het zitje moet goed worden vastgezet. 
  5. (transport) eenpersoons zitplaats op een motorfiets
    • Een sport- of racemotor heeft meestal geen zadel of buddy maar een slechts een zitje . 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be