ziek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Voor het bed van een zieke man wordt gebeden.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziek
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet gezond’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236 [1]
  • Oudnederlands: siek. Mogelijk te herleiden tot een Proto-Germaanse wortel *seuka-. [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ziek zieker ziekst
verbogen zieke ziekere ziekste
partitief zieks ziekers -

Bijvoeglijk naamwoord

ziek

  1. (medisch) verkerend in een toestand waarbij sommige lichamelijke processen niet goed werken, niet gezond zijnd; gezegd van mensen en dieren
    • Hij is al lange tijd ziek. 
  2. (figuurlijk) niet in orde
    • De wereld is ziek. 
  3. (figuurlijk), (informeel) afstotelijk, idioot [2], weerzinwekkend
    • Een zieke daad. 
    • Dat is echt volkomen ziek. 
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
zieken

ziek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zieken
    • Ik ziek. 
  2. gebiedende wijs van zieken
    • Ziek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zieken
    • Ziek je?