ziek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Ziek.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ziek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ziek zieker ziekst
verbogen zieke ziekere ziekste
partitief zieks ziekers -

Bijvoeglijk naamwoord

ziek

  1. (medisch) zich bevindend in een toestand waarbij sommige lichamelijke processen niet goed werken, niet gezond zijnd
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl

Werkwoord

vervoeging van
zieken

ziek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zieken
    • Ik ziek. 
  2. gebiedende wijs van zieken
    • Ziek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zieken
    • Ziek je?