zieken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

zieken

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zieken
ziekte
geziekt
zwak -t volledig
  1. vervelend bezig zijn; proberen zaken te verstoren en te verprutsen; de sfeer bederven
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen


Verwijzingen

Zelfstandig naamwoord

zieken mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zieke

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.