zeeziek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zee·ziek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zeeziek zeezieker zeeziekst
verbogen zeezieke zeeziekere zeeziekste
partitief zeezieks zeeziekers -

Bijvoeglijk naamwoord

zeeziek

  1. een misselijk en beroerd gevoel hebbend door ongerelmatige beweging van een schip
    • Toen pas wisten ze dat hij een zeezieke jongen was. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie