ziekelijk

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zie·ke·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van ziek met het achtervoegsel -lijk met het invoegsel -e-
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen ziekelijk ziekelijker ziekelijkst
verbogen ziekelijke ziekelijkere ziekelijkste
partitief ziekelijks ziekelijkers -

Bijvoeglijk naamwoord

ziekelijk

  1. geneigd om vaak ziek te zijn
    • Hij was altijd al een ziekelijk kind geweest. 
  2. geestelijk ongezond
    • Hij had een ziekelijke neiging om mensen te begluren. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

ziekelijk

  1. op geestelijk ongezonde wijze
    • Hij was ziekelijk jaloers. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.