krank

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • krank
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen krank kranker krankst
verbogen kranke krankere krankste
partitief kranks krankers -

Bijvoeglijk naamwoord

krank

  1. doodziek
    • Een oude pastoor die had een koe, doch zij werd krank en ik weet niet hoe. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
63 % van de Vlamingen.


Duits

stellend vergrotend overtreffend
krank
kränker
am kränkesten
alle verbuigingsvormen

Bijvoeglijk naamwoord

krank

  1. ziek