zwerfziek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zwerf·ziek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zwerfziek
verbogen zwerfzieke

Bijvoeglijk naamwoord

zwerfziek

  1. de wens hebbende om te zwerven
    • Zoo lang de oudfte bewoners van Europa een Nomadisch of zwerfziek leve leidden, is buiten bedenking hunne taal ook zeer onftandvastig geweest. [1]
Synoniemen

Gangbaarheid

57 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Ijpeij, Annaeus; Willame de Frese (1813). Beknopte geshiedenis der Nederlandsche tale, p. 54. Uitg.: O. J. van Paddenburg.