praatziek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • praat·ziek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen praatziek praatzieker praatziekst
verbogen praatzieke praatziekere praatziekste
partitief praatzieks praatziekers -

Bijvoeglijk naamwoord

praatziek [1]

  1. (schertsend) iemand die te veel kletst, plaats waar teveel gekletst wordt
    • Ondanks alle verhalen en verbaasde blikken, van productiemeisjes die elkaar onopvallend met hun ellebogen aantikten, hield Ineke haar hoofd recht. ,,Ze houdt gewoon van die man’’, zegt een ingewijde, die zelf echter ook twijfelt of ze Humberto opnieuw de openlijke vernedering kan vergeven die haar eerder ten deel viel. Maar dit weekend steunde ze hem, in het hol van de leeuw: in het praatzieke Hilversum.[2] 
    • Ook Stephen Fry, die de uitreiking van de Bafta’s presenteerde, bleek geen vriend van Trump. De acteur, komiek, schrijver en presentator steunde Meryl Streep, die bij de uitreiking van de Golden Globes uithaalde naar de Amerikaanse president. “Ze is een van de beste actrices ooit. Alleen een praatzieke idioot zou daar anders over denken.”[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf 06 apr. 2017
  3. de Telegraaf 13 feb. 2017
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be