dweepziek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dweep·ziek
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dweepziek dweepzieker dweepziekst
verbogen dweepzieke dweepziekere dweepziekste
partitief dweepzieks dweepziekers -

Bijvoeglijk naamwoord

dweepziek [1]

  1. van een persoon dat hij of zij iemand of iets op een ziekelijke, overdreven manier vereert en bewondert
    • Manson en zijn ‘Family’ van dweepzieke, gedrogeerde tieners die dachten dat hij Jezus was, horen bij de iconografie van de jaren zestig. De moorden die de groep op zijn instigatie pleegden in chique buurten van Los Angeles, gelden als de apotheose van het peace-and-love-tijdperk.[2] 
    • 'Alles in mij is verbrijzeld.' En: 'Er is iets in mij dat niet af is, dat niet is voltooid.' Eline is dweepziek, melancholisch, maar soms ook onuitstaanbaar en een nuffig wicht. De echte Eline is een twintiger, Hanne Arendzen, de actrice die haar nu speelt, ook. Het komt de geloofwaardigheid zeer ten goede. Alle facetten weet Arendzen (zij was op tv te zien in de serie Ramses, in het theater onder meer in Vaslav) heel mooi uit te spelen. [3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

75 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Sjoerd de Jong 19 november 2013
  3. Volkskrant Hein Janssen 27 september