verzagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

verzagen van een boomstam
Uitspraak
Woordafbreking
  • ver·za·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

verzagen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
verzagen
verzaagde
verzaagd
zwak -d volledig
  1. in kleinere stukken zagen
    • Er begint verder een proef in de Brammelerstraat met het verzagen van de grote natuurstenen platen die een karrenspoor in het winkelerf vormen. Ze breken en liggen los, vooral het gevolg van zwaar vrachtverkeer. Er volgt een onderzoek naar (on)mogelijkheden om het zware vrachtverkeer te weren uit de binnenstad. [2] 
    • Klaas en Marion kozen voor toevallig beschikbare materialen. De dode eiken op het erf werden verwerkt in de vloeren. ,,Mijn opa was meubelmaker, van hem heb ik geleerd hoe je bomen het best kunt verzagen tot planken om de mooiste tekening te krijgen." [3] 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen