gezaag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·zaag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gezaag -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gezaag o

  1. het aanhoudend zagen, het geluid van het zagen
    • Luid getimmer, gezaag en geboor weerklinkt in de buurt. 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.