zaagraam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaag·raam
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaagraam zaagramen
verkleinwoord zaagraampje zaagraampjes

Zelfstandig naamwoord

zaagraam o

  1. een raamwerk waarin het blad van een spanzaag is aangebracht
    • Het zaagraam brak waardoor het zaagblad losschoot. 
  2. een raamwerk waarop het hout gelegen is tijdens het zagen
    • Het zaagraam houdt de latjes tijdens het zagen op z'n plek. 

Meer informatie

Gangbaarheid