zaagvis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaag·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaagvis zaagvissen
verkleinwoord zaagvisje zaagvisjes

Zelfstandig naamwoord

zaagvis m

  1. (vissen) een haaiachtige vis met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel
    • Die man ging in een meer met zaagvissen zwemmen, wat uiteraard erg gevaarlijk was. 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.

Meer informatie