zaagvis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaag·vis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaagvis zaagvissen
verkleinwoord zaagvisje zaagvisjes

Zelfstandig naamwoord

zaagvis m

  1. (vissen) een haaiachtige vis met aan de kop een zaagvormig uitsteeksel
    • Die man ging in een meer met zaagvissen zwemmen, wat uiteraard erg gevaarlijk was. 
Vertalingen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be