trio

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trio
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘drietal (vooral in muziek)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1567 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord trio trio's
verkleinwoord triootje triootjes

Zelfstandig naamwoord

trio o

  1. (muziek) een muziekstuk voor drie spelers
    • We hebben een leuk triootje gespeeld vanmiddag. 
  2. een groep van drie personen die gezamenlijk optreedt
    • Dit trio heeft grote bekendheid verworven. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Fries

Zelfstandig naamwoord

trio

  1. (muziek) trio; een muziekstuk gecomponeerd voor drie muziekinstrumenten of zangers
  2. (muziek) trio; een groep bestaande uit drie musici
  3. (muziek) trio; een vormonderdeel (een 'intermezzo') van een compositie, meestal van een scherzo of menuet

Meer informatie


Pools

Uitspraak
  • IPA: /trʲijɔ/

Zelfstandig naamwoord

trio o

  1. (muziek) trio; drie musici; instrumentaal of vokaal
  2. trio; een groep van drie personen die gezamenlijk iets doen
Synoniemen

Meer informatie


Slowaaks

Zelfstandig naamwoord

trio

  1. (muziek) trio; een muziekstuk gecomponeerd voor drie muziekinstrumenten of zangers
  2. (muziek) trio; een groep bestaande uit drie musici
  3. (muziek) trio; een vormonderdeel (een 'intermezzo') van een compositie, meestal van een scherzo of menuet

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • trio

Zelfstandig naamwoord

trio o

  1. (muziek) trio; een muziekstuk gecomponeerd voor drie muziekinstrumenten of zangers
  2. (muziek) trio; een groep bestaande uit drie musici
  3. (muziek) trio; een vormonderdeel (een 'intermezzo') van een compositie, meestal van een scherzo of menuet
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Meer informatie

Verwijzingen