trio

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trio
enkelvoud meervoud
naamwoord trio trio's
verkleinwoord triootje triootjes

Zelfstandig naamwoord

trio o

  1. (muziek) een muziekstuk voor drie spelers
    We hebben een leuk triootje gespeeld vanmiddag.
  2. een groep van drie personen die gezamenlijk optreedt
    Dit trio heeft grote bekendheid verworven.
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie