synagoge

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sy·na·go·ge
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘Israëlitisch bedehuis’ voor het eerst aangetroffen in 1285 [1]
  • Ontleend aan het Latijnse synagoga, dat zelf een leenwoord is van het Oudgriekse συναγωγή (samenkomst, vergadering, van ἄγω "brengen, voeren") [2]met het voorvoegsel syn-
enkelvoud meervoud
naamwoord synagoge synagoges
synagogen
verkleinwoord synagogetje synagogetjes

Zelfstandig naamwoord

synagoge v

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (religie) gebedshuis, gebouw voor joodse godsdienstige bijeenkomst
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) (religie) joodse gemeente
Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen