Naar inhoud springen

tempel

Uit WikiWoordenboek
  • tem·pel
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bedehuis’ voor het eerst aangetroffen in 1271 [1] [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord tempel tempels
verkleinwoord tempeltje tempeltjes

detempelm

  1. (religie) een gebouw voor godsverering
    • Heb je de tempel al gezien die ze hier in de buurt aan het bouwen zijn? 
     De Japanse bergen, tempels en gastvrijheid waren indrukwekkend.[5]
     Cicero woonde in een bescheiden huis van twee verdiepingen op de Esquilijnse heuvel, ingeklemd tussen een tempel en een appartementengebouw, hoewel wie de moeite nam om op het dak te klimmen zou worden beloond met een heel aardig uitzicht over het wazige dal op de grote tempels van de Capitolijnse heuvel, ongeveer een halve mijl naar het westen.[6]
vervoeging van
tempelen

tempel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen
    • Ik tempel. 
  2. gebiedende wijs van tempelen
    • Tempel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen
    • Tempel je? 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]