tempel

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tem·pel
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘bedehuis’ voor het eerst aangetroffen in 1271 [1] [2] [3] [4]
enkelvoud meervoud
naamwoord tempel tempels
verkleinwoord tempeltje tempeltjes

Zelfstandig naamwoord

tempel m

  1. (religie) een gebouw voor godsverering
    • Heb je de tempel al gezien die ze hier in de buurt aan het bouwen zijn? 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tempelen

tempel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen
    • Ik tempel. 
  2. gebiedende wijs van tempelen
    • Tempel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tempelen
    • Tempel je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen