schuim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuim -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schuim o

  1. iets wat veel luchtbellen bevat
  2. personen van laag allooi, uitschot
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schuimen

schuim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuimen
    Ik schuim.
  2. gebiedende wijs van schuimen
    Schuim!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuimen
    Schuim je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl