schuim

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuim
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘blaasjes op vloeistof’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord schuim -
verkleinwoord schuimpje schuimpjes

Zelfstandig naamwoord

schuim o

  1. iets wat veel luchtbellen bevat
  2. personen van laag allooi, uitschot
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schuimen

schuim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuimen
    • Ik schuim. 
  2. gebiedende wijs van schuimen
    • Schuim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuimen
    • Schuim je? 

Verwijzingen