schuim

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuim
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuim -
verkleinwoord schuimpje schuimpjes

Zelfstandig naamwoord

schuim o

  1. iets wat veel luchtbellen bevat
  2. personen van laag allooi, uitschot
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
schuimen

schuim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuimen
    • Ik schuim. 
  2. gebiedende wijs van schuimen
    • Schuim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schuimen
    • Schuim je? 

Verwijzingen