schuimrubber

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schuim·rub·ber
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord schuimrubber schuimrubbers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

schuimrubber m / o

  1. (scheikunde) schuimachtig rubberproduct oorspronkelijk een natuurproduct (latex), ook langs chemische weg vervaardigd uit nafta
Verwante begrippen
Vertalingen
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

Bijvoeglijk naamwoord

schuimrubber

  1. gemaakt van schuimrubber [2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen