gajes

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ga·jes
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gajes -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

gajes o [5]

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) (informeel) geboefte, tuig, slecht volk, geteisem
  2. (Jiddisch-Hebreeuws) (informeel) leven, in de uitdrukkingen
    «Iemand om gajes maken.»
    Iemand om het leven brengen.
    «Om gajes gaan.»
    Doodgaan, sterven.
Hyponiemen

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.[6]

Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron W.L.H. Köster Henke (voorw.) De Boeventaal, Zakwoordenboekje van het Bargoensch, of De taal van de jongens van de vlakte (1906), Schaafsma & Brouwer, Dockum in: J.G.M. Moormann (ed.) De Geheimtalen, een Studie over de Geheimtalen in Nederland, Vlaamsch-België, Breyell en Meitingen (1932-1934), W.J. Thieme & Cie, Zutphen, p. 482 op dbnl.org op Wikipedia
  2. "gajes" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  3. gajes op website: Etymologiebank.nl
  4. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be