scheiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • schei·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
scheiden
scheidde
gescheiden
gemengd volledig

Werkwoord

scheiden

  1. overgankelijk in afzondering brengen
    • In deze machine wordt het waardevolle erts gescheiden van de rest van het opgegraven gesteente. 
  2. overgankelijk het samenzijn of de omgang van personen verbreken of verbroken houden
    • Moeder en dochter werden gescheiden door de bouw van de Muur. 
  3. ergatief ~ van: een huwelijksband verbreken
    • Hij is al enige tijd van haar gescheiden. 
  4. ergatief uiteengaan
    • Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden. 
  5. wederkerend zich ~: afsplitsen
    • En daar scheidden zich hun wegen. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie