uitscheiden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·schei·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitscheiden
scheed uit
scheidde uit
uitgescheden
uitgescheiden
klasse 1

gemengd

volledig

Werkwoord

uitscheiden

  1. ergatief ~ met ergens mee ophouden, stoppen
    • Gelukkig scheed hij uit met die herrie. 


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitscheiden
scheidde uit
uitgescheiden
gemengd volledig

Werkwoord

uitscheiden

  1. overgankelijk een stof het lichaam laten verlaten
    • Was wordt door bijen uitgescheiden. 
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie