roest

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Roest

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roest
Woordherkomst en -opbouw
Germaans *rūsto
Indo-Europees: *reudh-to- «roodheid»
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: rust, Duits: Rost
Noord: Deens: rust, Zweeds: rost
  • Andere Indo-Europese talen
Baltisch: Litouws: rudis
Slavisch: Pools: rdza
Italisch: Latijn: rubigo
  • [2]: Afgeleid van [1], naar de roestachtige aantasting van het blad.
  • [3]: Afgeleid van [1], naar de roodbruine kleur ervan.
  • [4,5]: Mogelijk verwant met rusten.
  • [6]: Waarschijnlijk afgeleid van [4].
1,3,6 enkelvoud meervoud
naamwoord roest -
verkleinwoord - -
2,4,5 enkelvoud meervoud
naamwoord roest roesten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

roest

  1. m of o (metallurgie) een rood- of bruingele bedekking aan de oppervlakte van ijzer die ontstaat door aantasting door de zuurstof van de lucht
    Hij was de roest aan het wegpoetsen toen ik thuiskwam.
  2. (biologie), (schimmels) m een schimmel behorende tot de Urediniomycetes, een klasse binnen het rijk van de Fungi, behorend tot de stam van Basidiomycota
    Roesten veroorzaken ziekten bij planten; deze schimmels tasten het blad aan en komen onder andere voor op granen, gras en prei.
  3. m een roestkleur
    Deze vogel heeft te veel roest op de vleugels.
  4. m een rustplek voor hoenders, een kippenhok
    De hoenders gingen op den roest.
  5. (jachttaal) m het nachtleger van vliegend wild, met name van kraaiachtigen
    Er zijn een aantal roesten in deze streek, waar je roeken kunt aantreffen.
  6. (jachttaal) m uitwerpselen van met name patrijzen bij hoopjes, bij de gulplaats
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
roesten

roest

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van roesten
  2. gebiedende wijs van roesten