rusten
Uiterlijk
- rus·ten
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| rusten |
rustte |
gerust |
| zwak -t | volledig | |
rusten
- werk of andere activiteit staken om het lichaam in staat te stellen weer op krachten te komen
- ▸ Tante Nella is in haar slaapkamer aan het rusten.[3]
- rusten op: steunen op iets
- ▸ Laat je hand maar op haar rusten.[4]
- rusten op: stilstaan / niet bewegen
|
|
- Iets laten rusten
Niet meer opnieuw over een (vaak moeilijk) onderwerp beginnen
- Niet zullen rusten voordat [...]
Iets per se gedaan willen krijgen
- • Ik zal niet rusten voordat ik hem heb teruggevonden.
de rusten mv
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rust
- Het woord rusten staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "rusten" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[5] |
- ↑ "rusten" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ rusten op website: Etymologiebank.nl
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024586332 - ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 6
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zwak werkwoord (-t) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Niet-samengesteld werkwoord in het Nederlands
- Zelfstandignaamwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %