roesten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • roes·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
roesten
roestte
geroest
zwak -t volledig

Werkwoord

roesten

  1. het langzaam oxideren van ijzerhoudende materialen
    Auto's roesten snel als zij aan wegenzout worden blootgesteld.
  2. door roest vast gaan zitten
    "Het zal me aan mijn reet roesten!" zei de eigenaar van het pand.
  3. (kippen) op stok zitten
    De kippen waren rustig aan het roesten.
  4. (biologie) het in groepen doorbrengen van de nacht van vliegend wild
    Die kauwen roesten altijd in de bomen achter het huis.
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

roesten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord roest