rennen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ren·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
rennen
rende
gerend
zwak -d volledig

Werkwoord

rennen

  1. inergatief (ongericht) zeer snel lopen
    • Je hoeft niet te rennen, we hebben alle tijd. 
  2. ergatief (gericht) zeer snel lopen
    • Ik ben naar huis gerend. 

Zelfstandig naamwoord

[A] rennen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord ren

[B] rennen m

  1. (sport) (meestal in meevoud) een snelheidsproef op de weg of in het terrein
    • Een snelheidsproef in de lucht of het water noemt men nooit een rennen of rennennen. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie