kampioenschap

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kam·pi·oen·schap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord kampioenschap kampioenschappen
verkleinwoord kampioenschapje kampioenschapjes

Zelfstandig naamwoord

kampioenschap o

  1. (sport) wedstrijd waar bepaald wordt wie de kampioenstitel mag dragen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be